Gratis E-gids: 5 minuten spelletjes drama
Download nu

Page content

article content

Haal alles uit je rol!

Wanneer je bezig bent met een groep 8 musical of een ander toneelstuk, komt er een moment dat de rollen verdeeld zijn. Veel leerkrachten denken nu: tekst leren en repeteren maar!
Maar hier zit nog een stap voor. De rolopbouw. Een stap die vaak vergeten wordt, maar o zo belangrijk is. In dit artikel beschrijf ik de belangrijkste kenmerken van een personage en geef ik tips over het opbouwen van een rol.

Waarom moet je aandacht besteden aan rolopbouw?

Vaak is het resultaat van een groep 8 musical of een schooltoneelstuk, een opvoering van kinderen die hun teksten en liedjes goed uit hun hoofd kennen. Dat is jammer, want er valt zo veel meer te halen uit een musical of toneelstuk.
Wat we zouden willen zien, zijn niet de leerlingen, maar hun personages. Goed uitgewerkte personages geven een verhaal kleur. We voelen mee met de personages en begrijpen waarom ze doen wat ze doen. Hoe dom de keuzes van het personage ook kunnen zijn, we begrijpen de beweegredenen. We gaan het verhaal veel beter begrijpen.
En dan heb ik het er nog niet eens over hoeveel leuker het is om je personage te spelen, wanneer er goed is nagedacht over het hoe en waarom.

Vormgeven van het personage door middel van stem

Een belangrijk middel dat een speler heeft om in te zetten bij het ontwikkelen van het personage, is de stem. Je stem kan heel veel zeggen over het personage. Voor een gedeelte hangt dit samen met de emotie die het personage op dat moment heeft. De stem van een bang personage zal waarschijnlijk wat hoger zijn, dan een personage die zeker van z’n zaak is. Maar je kunt je stem ook zeker in zetten om het personage vorm te geven. Denk maar aan het typische stemgeluid van een heks. Ook het inzetten van een accent kan een goed middel zijn, om een personage in te zetten. Zo hebben we een keer bij een groep 8 musical twee meisjes bij de hemelpoort laten spelen als Rotterdamse toiletjuffrouwen. Ze hebben de personages zo goed neergezet, dat het de sterren van de avond werden. Ook al hadden ze maar een kleine bijrol.

Stem

Er zijn verschillende manieren om je stem te gebruiken, als je een personage wilt vormgeven. Een paar voorbeelden:

Toonhoogte

Mannen hebben over het algemeen een zwaardere stem dan vrouwen. Misschien een open deur, maar wel belangrijk om aan te denken als je een personage wilt vormgeven. Als je als vrouw een mannenrol speelt, ligt het voor de hand om je stem te verlagen. Al hoeft dat natuurlijk niet persé.
Je kunt er juist ook voor kiezen om een mannenrol een hoge stem te geven. Kijk eens wat dat doet met het personage. Of iemand die de zinnen hoog begint en laag eindigt. Er is van alles mogelijk.

Volume

Ook het stemvolume zegt veel over het personage. Al raad ik af om hier te veel mee te gaan spelen. Het is voor kinderen vaak al lastig zat om hard genoeg te praten om verstaanbaar te kunnen zijn. Een ander aandachtspunt is schreeuwen. Je kunt natuurlijk een personage hebben die veel schreeuwt. Maar veel schreeuwen vereist stemtechniek. Pas je niet de juiste stemtechniek toe, dan kun je je stem overbelasten. Kijk daar dus mee uit.

Klankkleur

De klankkleur is als het ware het typische stemgeluid van iemand. Dit is een krachtig middel om een personage mee vorm te geven. Al eerder had ik het over het typische stemgeluid van een heks. Maar je kunt ook denken aan klankkleuren als warm, rustig, sensueel, zakelijk, enthousiast of robotachtig.

Pauzes

Ook de pauzes die iemand neemt in een zin kan veelzeggend zijn. Een personage die geen pauzes neemt en maar door blijft raden heeft waarschijnlijk een lage status. Iemand die veel pauzes neemt en alle rust neemt om iets te vertellen heeft waarschijnlijk een hoge status.

Vormgeven van het personage door middel van het lichaam

Nog meer dan met je stem, geef je het personage vorm met je lichaam. Dat kan natuurlijk heel extreem. Wanneer je bijvoorbeeld een oma speelt, kun je met een gebogen rug heel langzaam lopen.
Zo extreem hoef je een personage natuurlijk niet neer te zetten. In deze tijd lopen lang niet alle oma’s met een gebogen rug en bewegen ze zich langzaam voort. Toch kan het geen kwaad om in de beginfase van de rolopbouw de fysieke eigenschappen overdreven neer te zetten. Je kunt gedurende de repetitieperiode altijd ervoor kiezen om weer kleiner te spelen. Andersom is lastiger. Als je klein begint voelt het voor de acteur vaak raar en overdreven aan, om de fysieke eigenschappen van het personage te vergroten.

Hoe extreem het personage wordt neergezet, hangt samen met de speelstijl van de voorstelling.

je kunt een personage fysiek vormgeven door middel van
– houding
– beweging
– gebaren
– mimiek

Verderop in dit artikel beschrijf ik een speloefening die je kan helpen de lichamelijke kenmerken van een personage vorm te geven.

Vormgeven van het personage door middel van de psychologie

Tot nu toe heb ik het vooral gehad over de buitenkant van het personage. Maar de binnenkant is misschien nog wel belangrijker. Ik bedoel hiermee vooral wat het personage drijft. Wat heeft ervoor gezorgd dat het personage doet wat hij of zij doet? Waar komt hij of zij vandaan en waar gaat hij of zij naartoe?

Altijd moet het personage een doel hebben. In elke scène. Zou een personage geen doel hebben, dan kun je de rol net zo goed schrappen.

DoelDoel

Elke personage heeft een doel in een scène of toneelstuk. Of je nu het hoofdpersonage speelt, of maar een klein rolletje. Altijd moet het personage een doel hebben. In elke scène. Zou een personage geen doel hebben, dan kun je de rol net zo goed schrappen. De acteur heeft namelijk niks te spelen, dus doet het personage er niet toe in de scène. Dat hoeft niet te beteken dat een doel iets groots hoeft te zijn. Een doel kan ook zijn: ik wil op die stoel zitten.

Doel op scèneniveau en op stukniveau

Het doel kan zowel op scèneniveau als op stukniveau plaatsvinden. Het doel op scèneniveau staat meestal ten dienste van het doel op stukniveau. Dat klinkt ingewikkeld, maar ik beloof dat het duidelijk wordt met een simpel voorbeeld:

De stiefmoeder van Sneeuwwitje heeft een duidelijk doel in het verhaal. Ze wil de mooiste van het land zijn (doel op stukniveau). De stiefmoeder probeert verschillende dingen om haar doel te bereiken.
Ze stuurt de jager op Sneeuwwitje af om Sneeuwwitje te laten vermoorden (doel op scèneniveau).
Ze geeft Sneeuwwitje een giftige appel (doel op scèneniveau).
Zowel het plan met de jager, als het plan met de giftige appel, worden door de stiefmoeder bedacht om haar doel op stukniveau (de mooiste van het land zijn) te bereiken.

Soms wordt in een toneeltekst niet van elk personage het doel duidelijk. In dat geval moet de acteur, al dan niet samen met de regisseur, op zoek gaan naar het doel.
Wat het doel ook is, probeer ervoor te zorgen dat het doel niet te snel bereikt wordt. Zodra het doel is bereikt, heeft het personage niks meer te spelen. In dat geval moet er voor het personage een nieuw doel gecreëerd worden.

Achtergrond van de rol

Om een personage echt goed te kunnen spelen, moet je je rol heel goed kennen. Dan heb ik het niet over de tekst die je moet opzeggen. Ik bedoel hiermee dat je de achtergrond van het personage goed kent. Je weet wat voor jeugd het personage heeft gehad en je weet hoe hij of zij in een bepaalde situatie zal reageren. Het doel van een personage hangt vaak samen met deze achtergrond. Het kan helpen om een karakterdossier aan te leggen. Nu snap ik wel dat je als leerkracht niet de tijd of de behoefte hebt om voor alle 30 rollen uit het stuk een heel dossier aan te leggen. Je hoeft dat de kinderen ook niet te laten doen. Maar het is wel belangrijk dat kinderen weten wat ze aan het spelen zijn en dat wat het personage doet, voortkomt uit de achtergrond van het personage.

Hoe beter ze hun personage kennen, hoe beter ze de rol kunnen spelen. Hieronder geef ik je twee speloefeningen die je kunnen helpen bij het vormgeven van een personage. De eerste oefening helpt bij het uitvogelen van de achtergrond van het personage. De tweede oefening helpt bij het vormgeven van de uiterlijke kenmerken.


Roodkapje

Speloefeningen om aan rolopbouw te werken

Rolinterview

Bij deze oefening wordt in tweetallen gewerkt. Kind A is de interviewer en Kind B beantwoordt de vragen vanuit zijn rol. Dit kunnen allerlei vragen zijn. Van aantal broers of zussen tot lievelingseten of grootste angst. Het is hierbij wil belangrijk dat kind B alles eerlijk beantwoordt vanuit zijn rol. Ook als het past bij de rol om veel te liegen, moet je bij deze oefening wel eerlijk antwoorden. Je bent namelijk niet een scène aan het spelen, maar een rolonderzoek aan het doen.Vraagteken

Het is belangrijk dat de interviewer goed doorvraagt en niet te snel tevreden is met de antwoorden. Het kan daarom goed zijn om een interview eerst voor de klas voor te doen, waarbij de leerkracht als interviewer fungeert. Geef de kinderen de tijd om deze oefening te doen. Want de kinderen moeten de tijd krijgen om de diepte in te gaan. Op het teken van de leerkracht draaien de rollen om. Kind B is de interviewer en Kind A Beantwoordt de vragen vanuit zijn rol.
Als kinderen het moeilijk vinden om vragen te verzinnen, kun je natuurlijk altijd helpen of gebruik deze lijst om ze op weg te helpen. Rolinterview

Van teen tot top

Voor deze oefening moet je foto’s van verschillende mensen hebben verzameld. Het liefst zo veel mogelijk. Kies foto’s van mensen die qua uiterlijk erg verschillen. Voor deze oefening is het fijn als je veel ruimte hebt. Bijvoorbeeld een speelzaal.

Laat ieder kind de foto uitkiezen, die het best bij hun personage past. Ze hoeven de foto niet vast te houden. Meerdere kinderen kunnen dezelfde foto kiezen. Zelf vind ik het het prettigst, als de kinderen van elkaar niet weten welke foto ze hebben uitgekozen. Dan gaan ze elkaar niet na doen.

De kinderen lopen door de ruimte. Ze maken tijdens deze oefening geen contact met elkaar.
Vervolgens laat je de kinderen de voeten van het personage in gedachte nemen. Laat de kinderen met hun voeten als het personage lopen. De leerkracht stelt er vragen bij die de kinderen kunnen helpen. Vervolgens ga je naar de benen. De kinderen lopen met hun voeten en benen als hun personage. Zo komt er steeds een lichaamsdeel bij, tot je het hele lichaam hebt gehad. Als laatste komt de stem erbij. Het kan handig zijn om een zin te zeggen die ze steeds moeten herhalen. Anders weten de kinderen niet goed wat ze moeten zeggen.

Het is belangrijk dat de leerlingen de foto steeds in gedachte blijven houden en dat de leerkracht vragen blijft stellen. Als je het hele lichaam hebt gehad, heeft iedereen vanuit een foto het fysiek van zijn of haar personage bedacht.

Voorbeelden van vragen die de leerkracht kan stellen:

voeten

– Staan je voeten naar binnen of naar buiten?
– Zet je bij het lopen eerst je tenen of je hiel neer?

benen

– Heb je rechte knieën of gebogen knieën?
– Zet je grote passen of kleine passen?
– Loop je wijdbeens of zet je je benen vlak naast elkaar?

billen

– Zijn je billen samengeknepen of juist niet?

buik

– Houd je je buik in?
– Duw je je buik naar voren?

rug

– Heb je een kromme of rechte rug?
– Zakt je rug naar links, rechts of blijft je rug in het midden?

schouders

– Staan je schouders omhoog of omlaag?
– Staan je schouders naar voren of naar achteren?

hoofd

– Wat voor mimiek heb je?
– Kijk je vooruit of een tikkeltje omhoog of naar beneden?
– Wat doe je met je wenkbrauwen?

 

Uiteraard zijn er nog veel meer vragen die je kunt stellen.

 

Tot slot

Het is belangrijk dat er veel aandacht wordt besteed aan het personage dat je speelt. Toneelspelen is zoveel meer dan alleen maar je tekst opzeggen. Door je personage door en door te kennen snap je wat je speelt en waarom je personage doet wat hij doet.

Ik ben ervan overtuigd dat als je genoeg aandacht besteed aan de personages die de kinderen spelen, je de musical of het toneelstuk naar een hoger niveau tilt.
Heb je nog vragen? Laat vooral een reactie achter.

Comment Section

0 reacties op “Haal alles uit je rol!

Plaats een reactie


*